WM3 - SV Diana Den Haag

menu
menu
Ga naar de inhoud
Beveiligde paginas > WETGEVING
Veel vragen bereiken ons over de invulling van het formulier voor de aanvraag tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en in het bijzonder over dat deel dat door het bestuur van de vereniging moet worden ingevuld. Maar ook zelf merken wij uit reacties van schutters, bestuurders en politieambtenaren, dat dit onderwerp een aantal van ons niet, of niet meer helder voor de geest staat. Daarom hieronder het verhaal in de vorm van richtlijnen.  
Richtlijnen voor het mede invullen en ondertekenen van WM-3 formulieren door verenigingsbestuurders. (Let op alleen via het secretariaat kunt U een origineel WM-3 verkrijgen, dus niet downloaden!)
1. De aanvragen voor een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen door een schutter, wordt aan de achterzijde mede ingevuld en ondertekend door het bestuur van zijn vereniging. Aangezien de regelgeving mede is gebaseerd op het vertrouwen dat in het bestuur van een schietvereniging kan worden gesteld (aldus de minister van justitie), dient die invulling gewetensvol en deskundig te geschieden;
2. de invulling en de medeondertekening zullen in de regel worden gedaan door de voorzitter of de secretaris, maar het bestuur kan voor deze taak ook een of meer van de andere bestuursleden aanwijzen; niettemin wordt in deze richtlijnen telkens het bestuur genoemd als het verantwoordelijke orgaan van de vereniging;
3. de medeondertekening behelst, behalve de vermelding van aan aantal gegevens over de identiteit van de vereniging en het bestuurslid dat ondertekent,  een aantal verklaringen, te weten:
3a) de datum van ingang van het lidmaatschap van de aanvrager  
3b) het aantal schietbeurten door de aanvrager in het voorafgaande jaar gedaan;
3c) de aanvrager heeft voldoende bekwaamheid in de omgang met vuurwapens;
3d) het vuurwapen waarvoor de aanvrager verlof vraagt zal worden aangewend voor een tak van schietsport die in het verband van de vereniging kan worden beoefend;
4. de datum van ingang van het lidmaatschap, blijkende uit de administratie van de vereniging, is niet de datum van ingang van het aspirant-lidmaatschap of de ballotagetijd, maar de datum waarop de overgang plaats vond van aspirant lidmaatschap tot gewoon lidmaatschap. Het lidmaatschap moet voor de aanvraag van een verlof tenminste een jaar geduurd hebben. Daarbij mogen aansluitende voorafgaande lidmaatschappen van aan andere schietvereniging worden meegeteld; het eventueel benodigde bewijs daarvoor dient door de aanvrager zelf te worden verzorgd.
5. de verklaring omtrent het aantal schietbeurten moet wel degelijk worden gedaan, maar is in feite overbodig en van weinig werkelijke waarde. De aanvrager moet immers bij zijn aanvraag een register van schietbeurten overleggen en in de regel zal het bestuur uit geen andere bron voor deze verklaring kunnen putten, dan juist dit schietregister;
6. in het jaar voorafgaande aan de aanvrage voor een verlof en tijdens de aspiranten-, introductie-, of ballotagetijd die daaraan voorafging, heeft het bestuur van de vereniging ervoor gezorgd dàt, en heeft het kunnen observeren òf de aanvrager voldoende bekwaamheid heeft in de omgang met vuurwapens, waarbij uiteraard veiligheid het belangrijkste doel is. Bij twijfel onderwerpt het bestuur de aanvrager aan een proeve van bekwaamheid. Het bestuur dient zich zijn verantwoordelijkheid bij het afgeven van deze verklaring te realiseren;
7. de tak van schietsport (onderdeel) die de aanvrager met zijn vuurwapen wil beoefenen geeft hij zelf aan; hij weet immers wat hij wil; hij heeft die schietsportdiscipline al een tijdlang beoefend met verenigingswapens, heeft voor dit onderdeel affiniteit opgevat en komt nu met de verenigingswapens of de wapens van zijn medeclubleden niet verder, reden waarom hij zich een eigen vuurwapen wil aanschaffen; opgemerkt zij dat niet kan worden volstaan met een algemene vermelding als “groot-kaliber-pistool”, maar het onderdeel moet met name worden aangegeven. Het bestuur geeft dus niet de schietsportdiscipline aan, maar toetst slechts de aanvraag daarop. Deze toets behelst twee belangrijke punten, te weten:
7a) gaat het om een onderdeel waarvoor  geldt dat een redelijk belang aanwezig is tot het voorhanden hebben van een vuurwapen. Voorzover het de schietsport betreft, zijn dat die onderdelen die in de schiet- en wedstrijdreglementen van de KNSA zijn opgenomen of om onderdelen die dat niet of nog niet zijn, maar die door de KNSA zijn erkend. Laatstbedoelde zijn het parcoursschieten, en het silhouetteschieten. Voor plate schieten en pinbal hebben wij een raamreglement onder de naam action shooting;
7b) kan het onderdeel in het verband van de vereniging worden beoefend, hetzij op de eigen schietbaan, hetzij op een militaire of politieschietbaan die aan de vereniging ter beschikking staat. Ook kan het bestuur verklaren dat het onderdeel in het verband van de vereniging kan worden beoefend, als de mogelijkheid daartoe niet op de eigen accommodatie bestaat, maar daartoe in verenigingsverband de mogelijkheid wordt geboden bij een andere schietvereniging.
8. Als zeker niet onbelangrijke toegift: het bestuur wijst de aanvrager op zijn verantwoordelijkheid als bezitter van een vuurwapen en in het bijzonder op de wijze waarop hij zijn wapen en munitie moet opbergen.   


Bron KNSA
Schietvereniging sv Diana, Dr. Mansveltkade 3, 2242 TZ Wassenaar
Terug naar de inhoud